Arnold Jager Dirk Swagerman
Mede door de financiële crisis zijn de pensioenen actueler dan ooit. De dalende
rente en nagenoeg gehalveerde aandelenkoersen zorgen voor een daling van de
dekkingsgraad van een groot aantal pensioenfondsen. Gelukkig is de inflatie in
de afgelopen maanden tegelijk fors gedaald. Zelfs zo sterk dat door enkelen al
weer voor deflatie wordt gevreesd.
Door dit alles komt de financiële positie van de pensioenfondsen in een ander
daglicht te staan. Niet alleen op de korte termijn als het gaat om
dekkingsgraden en indexaties, maar juist de pensioenproblematiek op de lange
termijn moet meer aandacht krijgen. Bijvoorbeeld de manier waarop de
pensioenverplichtingen van ondernemingen in de jaarrekening van de onderneming
worden gewaardeerd.
De complexiteit van deze materie is een reden waarom het pensioen niet de juiste
aandacht krijgt, terwijl die eigenlijk wel noodzakelijk is. De nieuwe regels
voor goed bestuur bij pensioenfondsen — Pension Fund Governance (PFG) — hebben
ervoor gezorgd dat de directe invloed van bedrijven op de pensioenfondsen is
afgenomen. En de meer en meer terugtrekkende beweging van ondernemingen zelf in
relatie tot hun pensioenverantwoordelijkheid helpt daar ook niet bij.
De bijna dagelijkse berichtgeving over de dekkingsgraden doet vermoeden dat er
directe actie is vereist bij de grote en kleine pensioenfondsen. Door het
eigenlijk veel grotere probleem van de dalende rente stijgen de
pensioenverplichtingen, terwijl anderzijds door de daling van de beurskoersen
de bezittingen in waarde zijn verminderd. Waar de gemiddelde dekkingsgraad per
jaareinde 2007 nog circa 144% bedroeg, veel pensioenfondsen begin 2008 nog
extra indexaties toekenden om het verleden goed te maken en de premies voor
2008 zelfs licht werden verlaagd, is de dekkingsgraad eind november 2008 fors
gedaald naar circa 102 %. De meerderheid van de pensioenfondsen zit daarmee op
dit moment in onderdekking.
De vraag is of er sprake is van een structurele situatie, dan wel een
momentopname. Een adequate monitoring van de dekkingsgraad van het
pensioenfonds is uiteraard belangrijk. Toch is er geen reden voor paniek. Ook
in 2002 stonden de pensioenfondsen er slecht voor. Toch zijn zij weer
teruggekomen op het niveau van begin 2007. Pensioenfondsen met een
reservetekort dienen een door de Nederlandsche Bank goed te keuren herstelplan
uit te voeren om de dekkingsgraad weer op het vereiste peil te brengen. Voor
een gemiddeld pensioenfonds betekent dit een dekkingsgraad van circa 125%.
Geen paniek
De maximale hersteltermijn bedraagt op grond van de Pensioenwet echter niet voor
niets 15 jaar. Pensioen heeft immers een lange tijdshorizon. Eerst wordt het
pensioen voor een werknemer in 40 jaar opgebouwd, waarna er nog circa 15 jaren
resteren waarin de uitkeringen worden gedaan. Wij moeten ons dus ook niet door
de waan van de dag laten leiden.
Per saldo is er bij een aantal pensioenfondsen inderdaad actie nodig, maar
liggen hier geen grote problemen. Met de nieuwe Pensioenwet en de invoering van
het financieel toetsingskader (FTK) is een behoorlijk robuuste financiële opzet
gerealiseerd die eventuele klappen in de economie behoorlijk goed kan opvangen
zonder dat allerlei ad-hocpaniekmaatregelen noodzakelijk zijn. Van de
pensioenfondsbestuurders wordt wel een adequaat risicomanagement gevraagd. Dat
vraagt om prudent gedrag. Maar over het algemeen zijn de bestuurders van
pensioenfondsen juist meer risicogedreven. Een voorbeeld is de afdekking van
het renterisico. Veel bestuurders hebben daar het afgelopen jaar van
geprofiteerd. Zij zien hun dekkingsgraad aanmerkelijk minder dalen.
Ook zullen de bestuurders bij een lage dekkingsgraad minder risico nemen dan bij
een hoge dekkingsgraad. Gegeven het maximaal te lopen risico zullen zij
eventueel de strategische beleggingsmix aanpassen om het risico binnen de
perken te houden.
Voor een onderneming liggen de kortetermijneffecten wel anders. Zeker
gevoelsmatig. De effecten zoals hiervoor genoemd kunnen de waarde van de
onderneming sterk beïnvloeden. Ten gevolge van de internationale richtlijn (IAS
19) voor beursgenoteerde ondernemingen en de Nederlandse richtlijn (RJ 271)
voor de niet-beursgenoteerde ondernemingen komen de fluctuaties in de
beleggingen en de pensioenverplichtingen in het resultaat van de onderneming
dan wel in het eigen vermogen tot uitdrukking. De uitkomsten van die
pensioenwaarderingen zeggen immers iets over de toekomstige pensioenlasten van
de onderneming. Zolang de uitkomst van dergelijke waarderingen maar geen
verrassing vormt, valt er goed mee te leven. De vraag is echter of dat ook in
alle gevallen zo is.
Anticiperen
Ondernemingen worden meer dan pensioenfondsen beoordeeld op de
kortetermijnprestaties. Nog meer speelt daar het verrassingsaspect in mee.
Zelfs positieve verrassingen worden over het algemeen niet gewaardeerd. Juist
transparantie in de mee-en tegenvallers wordt gewaardeerd door de stakeholders.
Dit betekent dat dus dat effectieve interne risicobeheersings-en
controlesystemen bijdragen aan de langetermijnwaardecreatie van een
onderneming. Niet voor niets is risicomanagement ook onderdeel van de
aanbevelingen van de code-Tabaksblat. Ondernemingen richten zich daarom steeds
meer op het bewaken van risico’s. Doorgaans is de realiteit dat de budgettering
en het afgeven van verwachtingen voor het komende jaar eerder plaatsvinden dan
het opstellen van de jaarrekening. De consequenties van een afwijkende
pensioenlast voor het komende jaar komen dan in veel gevallen pas achteraf aan
de orde bij het opstellen van de jaarrekening. Dit is pas in de loop van het
jaar.
De onderneming wordt dus pas later feitelijk geconfronteerd met de financiële
gevolgen van de veranderde economische situatie. Door de sterk opgelopen
‘credit spread’ is de rekenrente voor de IFRS-berekeningen sterk opgelopen
waardoor de pensioenlasten in de jaarrekening naar verwachting meevallen. Deze
opgelopen credit spread is te wijten aan de extra opslag op de rente die de
belegger als vergoeding wil hebben om nog geld uit te lenen. De spread is
gekoppeld aan het vertrouwen dat de ondernemingen in elkaar hebben. Aangenomen
mag worden dat de spread sneller daalt dan het tempo waarmee de financiële
markten zich herstellen. Voor de onderneming komt de tegenvaller van de
pensioenlast dus later. Maar hij is wel iets om nu al rekening mee te houden.
Specifieke aandacht voor de aanhoudende monitoring en het in kaart brengen van
de blootstelling aan risico’s bij de vermogens van pensioenfondsen is er nog te
weinig. Dat is jammer en het vergroot de verrassingen. Slechts enkele, vooral
grote beursgenoteerde ondernemingen besteden al expliciet aandacht in de
jaarrekening aan het risico dat verbonden is aan de pensioenregeling.
Dit betekent bijvoorbeeld dat richtlijnen worden opgenomen ten aanzien van de
beleggingsportefeuille van de pensioenregeling, monitoring van de
(beleggings)resultaten en het bijhouden van de ontwikkeling van de positie
onder IAS 19. Zeker de controller kan hierbij een belangrijke rol vervullen.
Zijn functie is juist de beheersing van de financiële processen binnen de
onderneming. In zijn rol kan hij het management ondersteunen in de analyse van
de financiële pensioenrisico’s en de consequenties daarvan. Op dit moment is
een afnemend verantwoordelijkheidsgevoel waar te nemen bij de ondernemingen
voor de pensioenen van hun werknemers. Het is een natuurlijke reactie op de
nieuwe regelgeving en ontwikkelingen.
Een nieuwe ontwikkeling is de overgang van een aantal ondernemingen van regeling
met Defined Benefit (DB) ofwel de nog steeds gangbare ‘toegezegd
pensioen’-regelingen naar regelingen met Defined Contribution (DC). Ook de
voorstellen van werkgeversorganisatie VNONCW en de commissie-Bakker over de
arbeidsmarkt van begin dit jaar betekenen in feite niets anders dan een
verlaging van de pensioenopbouw en verslechtering van de pensioenzekerheid van
de werknemers.
IFRS
Zo is momenteel ook een discussie gaande of de IFRS-regelgeving (IAS 19) wel
past voor de Nederlandse pensioensituatie. Het pensioenstelsel dat wij kennen
zou zich moeilijk laten verenigen met deze regelgeving. Vanuit verschillende
groepen wordt erop aangedrongen dat beursgenoteerde bedrijven die bij een
bedrijfstakpensioenfonds zijn aangesloten, op basis van IFRS de
beleggingsresultaten van het pensioenfonds meenemen in hun eigen cijfers. Ze
kunnen het pensioensysteem dan niet langer beschouwen als DC. Nederland dringt
aan op een uitzonderingspositie bij de IASB om ons pensioenstelsel te
beschermen. Het is de vraag of dat zal worden gehonoreerd.
Toch is daar wel wat voor te zeggen. De VS kennen ook
bedrijfstakpensioenfondsen, de multi-employer funds. Deze fondsen mogen daar
behandeld worden als een ‘beschikbare premieregeling’, ongeacht of de
onderliggende regeling toch een toegezegde pensioenregeling is waar vooraf
gedefinieerde pensioenen uit komen. Dit geeft aanmerkelijk stabielere
pensioenlasten in de winst-en verliesrekening.
Hebben de Amerikanen dan verkeerde regels? Nee, in de Nederlandse situatie is
een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Amerikaanse argumenten zelfs
gemakkelijker als een beschikbare premieregeling te zien. Het is dus een
simpele handreiking en goede pr als de IASB de BPF-vrijstelling van de
Amerikanen overneemt. Ook de recente voorstellen ten aanzien van de mogelijke
aanpassing van de IAS 19-regelgeving hebben veel onrust veroorzaakt. De eerste
reactie is die van een bedreiging van ons Nederlandse pensioenstelsel. Een van
de meest belangrijke voorstellen is die van het afschaffen van de zogenoemde
‘corridormethode’.
Onder het huidige stelsel komen de winsten en verliezen op de beleggingen niet
rechtstreeks in de winst-en-verliesrekening van de onderneming. De onderneming
heeft de keuze de fluctuaties in de beleggingen in de toekomst uit te smeren.
Slechts wanneer het saldo van de winsten en verliezen boven een bepaalde grens
uitkomt, de corridor, wordt een deel van datgene wat boven de grens zit in de
winst-en-verliesrekening van de onderneming verwerkt. In feite is het dus een
dempingsmechanisme.
Als deze methode wordt afgeschaft dan betekent dat waarschijnlijk dat de winsten
en verliezen rechtstreeks de winst-en-verliesrekening van de onderneming in
gaan. Bij de huidige ontwikkelingen op de financiële markten wordt het
resultaat van de onderneming dan wel erg volatiel. De financiële resultaten van
de pensioenregeling kunnen daarmee de resultaten uit de gewone
bedrijfsuitoefening gaan overschaduwen. Gevreesd moet worden dat voor veel
ondernemingen een extra motivatie is om de pensioenregeling aan te passen.
Risico’s in de pensioenregeling zullen meer en meer naar de werknemers en
gepensioneerden overgaan. Dit is weliswaar in lijn met de ontwikkelingen maar
geeft per saldo wel vaak lagere pensioenuitkomsten voor de werknemers.
Een goed pensioenbeleid is niet alleen een kwestie van boekhouden. In de huidige
tijd, waar talent schaars is, dient het pensioenbeleid hoog op de agenda te
staan. Gecombineerd met een goed financieel beleid en een degelijk systeem van
risicomanagement biedt het meer kansen dan bedreigingen. De winst is een
verhoging van het maatschappelijke acceptatievermogen van de toegezegde
pensioenregelingen. Op deze wijze ontstaat er een systeem dat kansen genereert
voor de ondernemer, zekerheid biedt aan de werknemer en recht doet aan de
verslaglegging.
Arnold Jager is actuaris bij Hewitt Associates en Dirk Swagerman is hoogleraar
Controlling Rijksuniversiteit Groningen.
Geplaatst in het FD op 6 december 2008